
1e Lezing: Genesis 18,20-32
20 Daarom zei Jahwe: `Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde!
21 Ik ga naar beneden om te zien, of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.’
22 Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. Jahwe bleef echter nog bij Abraham staan.
23 Abraham trad op Hem toe en zei: `Wilt Gij werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen?
24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult gij die dan verdelgen? Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen?
25 Zoiets kunt Gij toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt Ge toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?’
26 En Jahwe zei: `Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.’
27 Abraham begon weer en zei: `Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben?
28 Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult Gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?’ En Hij zei: `Ik zal haar niet verwoesten, als Ik er vijfenveertig vind.’
29 Opnieuw sprak hij tot Hem: `Misschien zijn er maar veertig te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.’
30 Nu zei hij: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.’
31 Hij zei opnieuw: `Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.’
32 Hij zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog een keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.’
Psalm: 138
1 Van David. Loven wil ik U met heel mijn hart, de afgoden tartend mijn psalmen U zingen,
2 buigen wil ik voor uw heiligdom, prijzen uw naam om uw goedheid en om uw trouw: hoger nog dan uw roep van voorheen hief Gij hoog uw belofte.
3 Gij die mij verhoorde het uur dat ik riep, mij bezielde, mij kracht hebt gegeven:
4 gij dien loven de vorsten der aarde, als zij, eenmaal, verstaan wat gij aanzegt;
5 en hun lied prijst de leiding des Heren: ‘groot de majesteit van Jahwe!’
6 Ja, verheven de Heer, die de nederige ziet en doorgrondt de trotse van verre;
7 moest ik gaan door het hart der ellende, nog hield Gij mijn leven bewaard, heft de hand waar mijn vijanden dreigen: uw rechterhand brengt mij heil.
8 De Heer voltrekt het voor mij: tot in eeuwigheid, Heer, uw genade. Laat niet varen het werk uwer handen.
2e Lezing: Kolossenzen 2,12-14
12 de doop. In de doop zijt gij met Hem begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw geloof in de kracht van God die Hem uit de dood deed opstaan.
13 Ook u die dood waart ten gevolge van uw zonden en uw morele onbehouwenheid heeft God weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze zonden vergeven.
14 Hij heeft de oorkonde met haar bezwarende bepalingen, die tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.
Evangelie: Lucas. 11,1-13
DE KRACHT VAN HET GEBED
1 Op een keer was Hij ergens aan het bidden. Toen Hij ophield, zei een van zijn leerlingen tot Hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft.’
2 Hij sprak tot hen: ‘Wanneer ge bidt, zegt dan:
Vader, Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome.
3 Geef ons iedere dag ons dagelijks brood,
4 en vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven aan ieder die ons iets schuldig is;
en leid ons niet in bekoring.’
5 Hij vervolgde: ‘Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: Vriend, leen mij drie broden,
6 want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.
7 Zou die ander van binnenuit dan antwoorden: Val me niet lastig, de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed; ik kan niet opstaan om het je te geven?
8 Ik zeg u: als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen.
9 Tot u zeg Ik hetzelfde: Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan.
10 Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, wordt opengedaan.
11 Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven, als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt, zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?
12 Of als hij een ei vraagt, zal hij hem toch geen schorpioen geven?
13 Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.’