Lezingen 3 augustus 2025 (18e zondag door het jaar)

Lezingen

1e Lezing: Prediker 1,2; 2,21-23

2 IJL en ijdel, zegt Prediker, ijl en ijdel, alles is ijdel.

21 Want heeft iemand door zijn kennis en wijsheid moeizaam iets gepresteerd, hij moet het toch overlaten aan een ander die er niets voor gedaan heeft. Ook dat is ijdel, onzinnig.  

22 Wat heeft een mens dan aan zijn gezwoeg, aan al zijn zorgen en tobben onder de zon?  

23 Zijn leven is een lijdensweg, zijn werk een bron van ellende. Zelfs ‘ s nachts vindt hij geen rust. Ook dat is ijdel.


Psalm: 90

Laat de mens zich niets verbeelden
1 Een gebed van Mozes, de man Gods.
Heer, de toevlucht voor ons waart Gij, geslacht na geslacht.  

2 Eer de bergen waren geboren, voldragen aarde en wereld, ja, van eeuwig tot eeuwig, zijt Gij, God, die Gij zijt.  

3 De mens doet Gij weer worden tot stof; Gij spreekt: ‘wordt weder stof, mensenkinderen!’  

4 Duizend jaren toch zijn in uw ogen als de dag van gisteren – voorbij! een wake gelijk in de nacht:  

5 Gij wist ze uit, sluimer geworden. – Zo des morgens het gras, dat gaat groeien:  

6 in de morgen groent het en gaat groeien, ’s avonds is het verschrompeld, verdord.  

7 Zo vergaan wij onder uw toorn, worden wij door uw gramschap vernietigd;  

8 Gij stelt voor U wat wij bedreven: wat wij hadden willen verbergen, het komt in het licht van uw aanschijn.  

9 Zo neigen al onze dagen ten einde onder uw gramschap, wij leven onze jaren – een zucht.  

10 De dagen van onze jaren omvatten zeventig jaren, voor de krachtigsten tachtig jaren; hun trots werd moeite en leed: hoe snel voorbij zijn wij – een wiekslag!  

11 Wie kent de kracht van uw toorn, uw verbolgenheid, zozeer te duchten?  

12 Leer ons zo onze dagen te tellen dat ons wijsheid des harten gewordt.  

13 Keer, heer, tot ons weder. Hoelang nog? Erbarm U over uw knechten,  

14 maak ons morgenlijk rijk met uw goedheid, dat wij jubelend vieren onze vreugde telken dage dat wij mogen zijn.  

15 Schenk ons blijdschap, zovele dagen als de dagen dat Gij ons deed lijden; jarenlang was onheil ons uitzicht.  

16 Zichtbaar zij aan uw knechten uw werk, zij over hun kinderen uw luister.  

17 Moge zo de goedgunstigheid zijn van de Heer onze God over ons: geef Gij het werk onzer handen bestand, ja, bestendig het werk onzer handen.


2e Lezing: Kolossenzen 3,1-5.9-11

Het nieuwe leven
1 Als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods.  

2 Zint op het hemelse, niet op het aardse.  

3 Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God.  

4 Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.  

5 Maakt dus radicaal een einde aan immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij. 

9 En beliegt elkaar niet meer. Legt de oude mens met zijn gedragingen af,  

10 bekleedt u met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van zijn schepper.  

11 Dan is er geen sprake meer van heiden of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar en onbeschaafde, van slaaf of vrije mens. Daar is alleen Christus, alles in allen. 


Evangelie: Lucas. 12,13-21

RIJKDOM EN DWAASHEID
13 Uit het volk zei iemand tegen Hem: ‘Meester, zeg aan mijn broer, dat hij de erfenis met mij deelt.’  

14 Maar Jezus antwoordde hem: ‘Man, wie heeft Mij over u beiden tot rechter of bemiddelaar aangesteld?’  

15 En Hij sprak tot hem: ‘Pas op en wacht u voor alle hebzucht! Want geen enkel bezit, al is dit nog zo overvloedig, kan uw leven veiligstellen.’  

16 Hij vertelde hun de volgende gelijkenis: ‘Het land van een rijk man had een grote oogst opgeleverd.  

17 Daarom overlegde deze bij zichzelf: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen.  

18 En hij zei: Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere; daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren bergen.  

19 Dan zal ik tot mijzelf zeggen: Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren, rust nu uit, eet en drink en geniet ervan!  

20 Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan?  

21 Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’