
1e Lezing: Jesaja 66,18-21
Slotwoord
18 Maar Ik kom om alle volken en talen te verzamelen: zij zullen komen en mijn glorie zien.
19 Ik geef hun een teken en hun overlevenden zend Ik naar de volken, naar Tarsis, Put, Lud, Mesek, Ros, Tubal en Jawan, naar de verre eilanden, die mijn roem nog niet hebben gehoord en mijn glorie nog niet gezien; zij zullen mijn glorie onder de volken verkondigen.
20 Dan brengen zij al uw broeders uit de volken terug, als een offer voor Jahwe, op paarden, wagens, huifkarren, muildieren en draagstoelen, naar mijn heilige berg Jeruzalem, zoals Israëls zonen in reine vaten hun gaven brengen naar de tempel van Jahwe, zegt Jahwe.
21 En ook uit hen zal Ik Mij priesters en levieten kiezen, zegt Jahwe.
Psalm: 117
1 Looft de Heer, alle gij volken, roemt Hem, alom ter wereld:
2 ons omgeeft zijn genade, grootmachtig, en de trouw van de Heer staat voor eeuwig. Godlof!
2e Lezing: Hebreeën 12,5-7.11-13
5 Zijt ge al het Schriftwoord vergeten dat u als kinderen aanspreekt en aanmoedigt: Kind, minacht de tucht van de Heer niet, laat u door zijn straf niet ontmoedigen.
6 Want de Heer tuchtigt hen die Hij liefheeft, Hij straft ieder die Hij als zijn kind erkent.
7 Het lijden dient om u te verbeteren en op te voeden; God behandelt u als kinderen. Ieder kind wordt wel eens door zijn vader gestraft.
en
11 Tucht is nooit prettig, op het moment zelf is er meer verdriet dan blijdschap; maar op de lange termijn levert ze voor degenen die zich door haar lieten vormen, de heilzame vrucht op van een heilig leven.
12 Daarom, heft op de slappe handen, strekt de wankele knieën,
13 laat uw voeten rechte wegen gaan; het kreupele lid mag niet ontwricht worden, maar moet genezen.
Evangelie: Lucas 13,22-30
ROEPING VAN DE HEIDENEN
22 Hij trok rond door steden en dorpen, gaf er onderricht en zette zijn reis voort naar Jeruzalem.
23 Iemand vroeg Hem: ‘Heer, zijn er weinig die gered worden?’ Maar Hij sprak tot hen:
24 ‘Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen, want, Ik zeg u, velen zullen het proberen, maar er niet in slagen binnen te komen.
25 Als eenmaal de huisvader is opgestaan en de deur gesloten heeft en gij dan buiten op de stoep begint te kloppen en te roepen: Heer, doe open! zal Hij u antwoorden: Ik weet niet waar gij vandaan komt.
26 Dan zult ge opwerpen: In uw tegenwoordigheid hebben wij gegeten en gedronken, en in onze straten hebt Gij onderricht gegeven. Maar weer zal zijn antwoord zijn: Ik weet niet waar gij vandaan komt.
27 Gaat weg van Mij, gij allen, bedrijvers van ongerechtigheid.
28 Daar zal geween zijn en tandengeknars, wanneer gij Abraham, Isaak en Jakob en al de profeten zult zien in het Rijk Gods, terwijl ge zelf buitengeworpen zult zijn.
29 Zij zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden, en aanzitten in het Koninkrijk Gods.
30 Denkt eraan: er zijn laatsten die eersten en eersten die laatsten zullen zijn.’