
1e Lezing: Jezus Sirach 3,17-18.20.28-29
17 Wat gij doet, mijn zoon, doe dat met zachtheid en gij zult meer bemind worden dan iemand die geschenken geeft.
18 Hoe hoger gij staat, des te kleiner moet gij u maken, en gij zult genade vinden bij de Heer.
20 Want groot is de barmhartigheid van de Heer en aan de nederigen toont Hij zijn geheimen.
28 Voor de kwaal van de hoogmoedige bestaat geen genezing, want de plant van de boosheid heeft wortel in hem geschoten.
29 Het hart van de verstandige mens overdenkt de spreuken; wat de wijze zich wenst is een oor dat luistert.
Psalm: 68
1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. Een lied.
2 God verrijst – zijn vijanden verstuiven, voor zijn aanblik vlieden zijn haters.
3 Zoals rook verwaait op de wind, zoals was wegsmelt voor het vuur, zo vergaan voor Gods aanblik de duisteren.
4 De rechtvaardigen echter – met jubel verblijden zij zich voor Gods aanschijn, vieren in vervoering hun vreugde.
5 Zingt God ter eer, psalmzingt zijn naam, baant die rijdt door de wolken de heerbaan: Jahwe is zijn naam – juicht voor zijn aanschijn.
6 Hij die vader is der verweesden, voor de vrouw die haar man mist het pleit voert, God, Hij in zijn heilig domein.
7 God, die vereenzaamden een thuis geeft, die gevangenen doet uitgaan in voorspoed. Doch wie Hem tart woont in woestijnland.
8 Toen Gij, God, uw volk voor zijt gegaan, uw weg door de woestijn hebt genomen,
9 beefde de aarde, het zwerk brak in droppelen voor de aanwezigheid Gods, Hij die God is van Israël.
10 Gij zond neer, God, als regen uw mildheid, gaf uw uitgeput erfland weer krachten,
11 dat uw volk zich daar neder kon laten; Gij bereidde het land in uw goedheid, o God, voor wie waren verdrukt.
12 De Heer doet zijn aanzegging uitgaan, blijde tijdingen uitzwermend talloos:
13 ‘legervorsten, zij vlieden, zij vlieden!’ Zij verdeelt, die het huis hoedt, de buit:
14 duivenvleugelen, betogen met zilver, de slagpennen met weerschijn van goud,
15 Toen de Almachtige de koningen uiteendreef, te dien tijde viel sneeuw op de Salmon:
16 o berg Gods, gebergte van Basan, berg der steilten, gebergte van Basan,
17 berg der steilten, wat staart gij afgunstig naar de berg die God tot zijn domein koos? Weet: de Heer zal voor eeuwig daar wonen.
18 Strijdwagens heeft God, myriaden, duizendtallen duizenden malen; de Heer heeft de Sinaï betreden, verschenen in heiligheid;
19 Gij ontsteeg, voerde mee de gevangenen, hebt gevorderd de gaven van mensen, ook hen die U wilden weerstaan; om woning te maken, Heer, God.
20 Gezegend de Heer, dag aan dag, Hij arbeidt om onzentwille: de God in wie ons behoud is.
21 Hij, God – ons een God van verlossing: bij de Heer is een weg uit de dood.
22 Doch zijn vijanden breekt God de schedel, het hoofd ruig van wie weiden in misdaad.
23 De Heer sprak: ‘Ik haal binnen: uit Basan, binnen: zelfs uit de diepte der zeeën;
24 dan staat gij waar zal vloeien het bloed, en de tong van uw honden krijgt mee van wat eens tot de vijand behoord heeft.
25 Zichtbaar, God, wordt uw feestelijke rei, tempelrei van mijn God, van mijn koning.
26 Zangers gaan vooraan in de stoet, aan het eind die de snaren bespelen; meisjes, middenin, slaan op de handtrom.
27 Altesamen loven zij God, Hem Jahwe, de springader Israëls.
28 Zie daar Benjamin, de jongste, vooraangaan, de vorsten van Juda in drommen, die vorsten van Zebulon zijn, die vorsten zijn van Naftali.
29 Maak, God, uw macht openbaar – God die machtig aan ons hebt gehandeld
30 uit uw tempel hoog boven Jeruzalem: koningen zullen hun schatting U brengen.
31 Dreig het monster tussen het riet, de troep stieren, stierkalven der heidenen. Knielend met baren zilver en goud volken vroeger belust op de strijd.
32 Zij naderen, Egypte’s rijksgroten, Ethiopie gaat zich beijveren de handen te heffen tot God.
33 Zingt Gods lof, koninkrijken der aarde, zingt bij de harp voor de Heer,
34 die rijdt langs de alhemel des aanvangs, hoor! Hij spreekt met machtige stem.
35 Erkent dan God in zijn macht: zijn hoogheid is over Israël. In de wolken zetelt zijn kracht.
36 Geducht vanuit zijn heiligdom God, God van Israël, Hij die verleent weerbaarheid, oerkracht aan zijn volk. Gezegend zij God!
2e Lezing: Hebreeën 12,18-19.22-24a
18 Bedenkt waar gij staat: gij zijt niet genaderd tot een tastbare berg en een laaiend vuur, met duisternis, donderwolken en stormwind,
19 waar de trompet klonk en de stem de woorden sprak, en die haar hoorden smeekten dat zij niet langer tot hen zou spreken.
22 Neen, gij zijt genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en de duizendtallen engelen, de feestelijke
23 en plechtige vergadering van de eerstgeborenen die in de hemel zijn ingeschreven, tot God, de rechter van allen, en de geesten der rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben,
24 tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, wiens vergoten bloed iets beters afroept dan het bloed van Abel.
Evangelie: Lucas. 14,1.7-14
GENEZING OP SABBAT VAN EEN WATERZUCHTIGE
1 Toen Hij op een sabbat het huis van een van de voornaamste farizeeën binnenging om de maaltijd te gebruiken, hielden zij Hem voortdurend in het oog.
DE VOORNAAMSTE AAN TAFEL
7 Daar Hij opmerkte, hoe de genodigden de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten, hield Hij hun de volgende gelijkenis voor:
8 ‘Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats. Het zou kunnen zijn, dat er door hem iemand is uitgenodigd die voornamer is dan gij,
9 en dat degene die u en hem genodigd heeft u komt zeggen: Sta uw plaats aan hem af. Dan zoudt ge vol schaamte de minste plaats moeten innemen.
10 Maar ga, wanneer ge ergens genodigd wordt, op de minste plaats aanliggen. Als degene die u heeft uitgenodigd dan komt, zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op. Zo zal u een eer te beurt vallen in het oog van allen die met u aanliggen.
11 Want al wie zichzelf verheft zal vernederd, en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden.’
12 Hij zei ook nog, nu tot zijn gastheer: ‘Wanneer gij een middag of een avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn, dat zij op hun beurt u uitnodigen en gij het dus terugkrijgt.
13 Maar als ge een gastmaal geeft, nodig armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit.
14 Gelukkig zult ge zijn, omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’