Lezingen 21 september 2025 (25e zondag door het jaar)

Lezingen

1e Lezing: Amos 8,4-7

4 Hoort dit, gij die strikken spant voor de armen om de misdeelden in het land te verdelgen,  

5 gij die redeneert: ‘Wanneer is de nieuwe maan voorbij? Dan kunnen wij ons koren verkopen! En wanneer de sabbat? Dan kunnen wij ons graan uitstallen. Dan verkleinen wij de efa, dan verhogen wij de prijs en bedriegen wij met een vervalste weegschaal.  

6 Dan kopen wij de kleine man voor geld, de arme voor een paar schoenen, en verhandelen wij zelfs het uitschot van ons koren.’  

7 Jahwe heeft gezworen bij de heerlijkheid van Jakob: Geen van hun daden zal Ik ooit vergeten!


Psalm: 113

1 Looft, knechten des Heren, looft de naam van de Heer.  

2 De naam van de Heer zij gezegend van thans tot in eeuwigheid.  

3 Van de opgang der zon tot haar dalen zij geprezen de naam van de Heer.  

4 Hoog boven alle volken de Heer; hemelhoog is zijn glorie.  

5 Wie is als de Heer onze God, die woning maakt in den hoge,  

6 die neder wil zien op dit laagland? – in de hemel Hij en op aarde;  

7 die de arme opricht uit het stof, uit het slijk wil heffen de schamele,  

8 dat hij zetelen mag met de machtigen, met de machtigen van zijn volk.  

9 Die de onvruchtbare geeft haar plaats in het huis: een lachende moeder van kinderen. Godlof! 


2e Lezing: 1 Tim. 2,1-8

Hoe de gemeente behoort te bidden
1 Allereerst vraag ik u gebeden, smekingen, voorbeden en dankzeggingen te verrichten voor alle mensen,  

2 voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij, ongestoord en rustig, een in alle opzichten godvruchtig en waardig leven kunnen leiden.  

3 Dit is goed en welgevallig in het oog van God, onze heiland,  

4 die wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen.  

5 Want God is een, een is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus,  

6 die zichzelf gegeven heeft als losprijs voor allen: op de vastgestelde tijd legde Hij zijn getuigenis af.  

7 En ik ben daarvoor aangesteld als heraut en apostel – ik spreek de waarheid, ik lieg niet – om de volken te onderrichten in het ware geloof.  

8 Ik wil dus dat op elke plaats waar de gemeente samenkomt om te bidden, de mannen hun handen opheffen in een geest van godsvrucht, die haat en ruzie uitsluit.


Evangelie:  Lucas 16,1-13 of 16,10-13

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER
1 Verder sprak Hij tot zijn leerlingen: ‘Er was eens een rijk man die een rentmeester had, die bij hem werd aangeklaagd, dat hij zijn bezit verkwistte.  

2 Hij riep hem dus en vroeg: Wat hoor ik daar van u? Geef rekenschap van uw beheer, want gij kunt niet langer rentmeester blijven.  

3 Toen redeneerde de rentmeester bij zichzelf: Wat zal ik doen, nu mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt? Spitten kan ik niet, en te bedelen daarvoor schaam ik mij.  

4 Ik weet al wat ik ga doen, opdat zij mij na mijn ontslag als rentmeester in hun huis opnemen.  

5 Hij ontbood de schuldenaars van zijn heer, een voor een, en zei tot de eerste: Hoeveel zijt ge aan mijn meester schuldig?  

6 Deze antwoordde: Honderd vaten olie. Maar hij zei: Hier hebt ge uw schuldbekentenis; ga gauw zitten en schrijf: vijftig.  

7 Daarop vroeg hij nog aan een tweede: En hoeveel zijt gij schuldig? Deze antwoordde: Honderd maten tarwe. Hij zei hem: Hier hebt ge uw schuldbekentenis; schrijf: tachtig.  

8 De heer prees het in de onrechtvaardige rentmeester dat hij met overleg had gehandeld, want de kinderen van deze wereld handelen onderling met meer overleg dan de kinderen van het licht.  

9 Zo zeg Ik u ook: Maakt u vrienden door middel van de onrechtvaardige mammon, opdat, wanneer die u komt te ontvallen, zij u in de eeuwige tenten opnemen.  

10 Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote.  

11 Zijt ge dus niet betrouwbaar geweest in de onrechtvaardige mammon, wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen?  

12 Als ge niet betrouwbaar zijt geweest in het beheren van andermans goed, wie zal u dan geven wat gij het uwe kunt noemen?  

13 Geen knecht kan twee heren dienen, want hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en de mammon.’ 

of

10 Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote.  

11 Zijt ge dus niet betrouwbaar geweest in de onrechtvaardige mammon, wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen?  

12 Als ge niet betrouwbaar zijt geweest in het beheren van andermans goed, wie zal u dan geven wat gij het uwe kunt noemen?  

13 Geen knecht kan twee heren dienen, want hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en de mammon.’