Lezingen 18 januari 2026 (2e zondag door het jaar)

Lezingen

1e Lezing: Jesaja 49,3.5-6

3 Hij sprak tot mij: `Gij zijt mijn dienstknecht, Israël, door u toon Ik mijn heerlijkheid.’ 

5 Maar nu sprak Jahwe, die mij vormde tot zijn dienstknecht, nog voor mijn geboorte, om Jakob naar Hem te doen terugkeren, – want Hij wilde Israël verzameld zien -.  

6 Hij sprak: `Voor u, mijn dienstknecht, is het te gering, alleen Jakobs stammen op te richten, en Israëls overlevenden terug te brengen; Ik stel u aan om een licht voor de volken te zijn: mijn heil moet reiken tot in de uithoeken der aarde.’ 


Psalm: 40

1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm.  

2 Ik heb de Heer vurig verbeid: toen boog Hij zich over tot mij, Hij verhoorde mijn roepen om hulp  

3 en trok mij uit de groeve des doods, uit het slijk van dit zuigend moeras; Hij zette mijn voeten op rotsgrond, heeft mijn schreden vastheid gegeven.  

4 Hij gaf mij een nieuw lied in de mond: de lofzang voor wie onze God is. O, mocht elk dit verstaan in ontzag, op de Heer zich leren verlaten:  

5 want gelukkig de man die voorgoed op de Heer zijn vertrouwen gegrond heeft, zich niet bij zelfverzekerden schaart, noch bij wie zich verliezen in leugens.  

6 Hoe ontelbaar, Heer onze God, zijn de wonderen die Gij verricht hebt, uw bestemmingen om onzentwille; uw grootheid is onvergelijkelijk: wilde ik die onthullen met woorden, het was boven de macht van mijn taal.  

7 Gij die offers afwees en geschenken hebt mijn dove oren geopend: brand – en zondoffers zeggen U niets.  

8 Toen heb ik gesproken: ‘hier ben ik. Mij geldt wat in de boekrol vervat is:  

9 God, uw wil te doen is mijn vreugde, uw wet is binnenin mij gegrift.’  

10 Bode van uw gerechtigheid ben ik waar de schare tesamengestroomd is; zie, mijn lippen hield ik niet gesloten: Gij, Heer, Gij weet dit van mij.  

11 Uw gerechtigheid – haar heb ik nimmer in het eigen hart weggeborgen: ik verkondig uw trouw, uw verlossing, zwijg niet van uw genade, uw waarheid, waar de velen bijeen zijn vergaderd.  

12 Heer, ontzeg mij dan niet uw ontferming: mogen uw genade, uw waarheid mij behoeden te allen tijde,  

13 want rondom sluiten rampen mij in – zij worden welhaast ontelbaar; door mijn zonden word ik achtervolgd, hen aan te zien niet bij machte; talloos – mijn hoofdharen te boven. En mijn hart vertwijfelt in mij.  

14 Heer, behage het U mij te redden, Heer, kom mij haastig te hulp.  

15 Laat beschaamd staan, bewust van hun schande, die het hadden gemunt op mijn leven, geef Gij de smadelijke aftocht van wie op mijn ongeluk hoopten,  

16 mogen zelf zich verschuilen, vernederd, die schateren: ‘raak! die is raak!’  

17 Wacht geluk en vreugde in U niet elk wiens hart naar u uitgaat? Het woord’ grootmachtig is God’ mogen telkendage herhalen zij die verbeiden uw heil.  

18 Ik ben zo ellendig, zo arm – Heer, wil aan mij denken. Mijn hulp zijt Gij, mijn bevrijder: mijn God, laat U niet wachten. 


2e Lezing: 1 Korintiërs 1,1-3

Schrijver, lezer, groet

1 VAN PAULUS, door Gods wil geroepen tot apostel van Christus Jezus, en onze broeder Sóstenes  

2 aan de kerk Gods te Korinte, aan hen die, geheiligd in Christus Jezus, tot een heilig leven zijn bestemd, samen met allen die allerwegen de naam aanroepen van Jezus Christus, hun Heer en de onze.  

3 Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! 


Evangelie: Johannes 1,29-34

29 De volgende dag zag hij Jezus naar zich toekomen en zei: “Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt.  

30 Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt een man die voor mij is, want Hij was eerder dan ik.  

31 Ook ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom kwam ik met water dopen.”  

32 Verder getuigde Johannes: “Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten.  

33 Ook ik kende Hem niet, maar die mij gezonden had om met water te dopen, Hij had tot mij gesproken: Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de heilige Geest.  

34 Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd: Deze is de Zoon van God.”