Lezingen 25 januari 2026 (3e zondag door het jaar)

Lezingen

1e Lezing: Jesaja 8,23b – 9,3

23 Ja, er is geen ontkomen aan voor hem die erdoor omsloten wordt.

In het verleden heeft God smaad gebracht over het land van Zebulon en over het land van Naftali, maar in de toekomst brengt Hij de Weg naar de Zee tot bloei, het Overjordaanse, en het Gewest van de heidenen. 

 3 Want het drukkende juk, de stang op hun schouders, de stok van de drijver, Gij breekt ze stuk als op de dag van Midjan.


Psalm: 27

1 Van David.
De Heer is mijn licht en mijn heil:
wie zou ik dan vrezen?
De Heer is mijn burcht, mijn behoud:
voor wie zou ik beducht zijn?
2 Komen mij mijn belagers te na –
en zij kunnen mij levend verscheuren,
zo vijandig vervolgen zij mij –
zij struikelen, zij vallen.
3 Streken rond mij belegeraars neer,
mijn hart zou niet versagen,
stond een slagorde aanvalsgereed,
ik zou nochtans gerust zijn.
4 Dat ene vroeg ik van de Heer,
dat is al mijn verlangen:
daar te zijn – in het huis van de Heer,
al de dagen mijns levens,
dat ik Gods luister aanschouw,
op Hem zien mag binnen zijn tempel.
5 Hij doet onder zijn schaduwdak mij schuilen
in dagen van dreiging,
beveiligt mij binnen zijn veilige tent.
Hij stelt mij hoog op een steenrots.
6 Zo mag ik heffen het hoofd
hoog boven de vijand rondom mij.
voltrek ik in zijn domein bij geschal van bazuinen de offers.
Voor de Heer is mijn harpspel, mijn lied.
7 Heer, hoor mijn aanroep tot U,
geef mij genadig uw antwoord.
8 Gij zegt – en mijn hart spreekt het na:
‘zoekt mijn aanschijn.’
Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken.
9 Wend uw aangezicht niet van mij af,
wijs uw knecht niet toornig terug,
Gij die immer mijn hulp zijt geweest,
wil mij niet verwerpen en verlaten,
o God, mijn bevrijding.
10 Al begaven mij vader en moeder,
de Heer nam mij aan als de zijne.
11 Wijs mij, Heer, dan uw weg,
leid mij op het pad dat niet afwijkt,
wie er ook op de loer ligt!
12 Laat mij niet ten prooi aan mijn haters:
want mijn lasteraars maken zich groot:
geweld is hun adem.
13 O, als ik niet de zekerheid had
het heil des Heren te zien in dit leven op aarde!
14 Wacht dan de Heer en wees sterk,
onbezweken van hart.
Wacht dan de Heer.


2e Lezing: 1 Korintiërs 1,10-13.17

De vier partijen

10 Broeders, ik doe een beroep op u in de naam van onze Heer Jezus Christus: weest allen eensgestemd, laat er geen verdeeldheid onder u zijn; weest volkomen een van zin en een van gevoelen.  

11 Er is mij namelijk door de huisgenoten van Chloë over u verteld, broeders, dat er onenigheid onder u heerst,  

12 Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: “Ik ben van Paulus.” “Ik van Apollos.” “Ik van Kefas.” “Ik van Christus.”  

13 Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij gedoopt in de naam van Paulus?  

 

17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen. Hij heeft mij gezonden om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden; anders zou het kruis van Christus zijn kracht verliezen. 


Evangelie: Matteüs 4,12-23 of 4,12-17

Begin van Jezus’ optreden in Galilea

12 Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea.  13Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali,  14opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja:  15

Land van Zebulon, land van Naftali,
liggend aan de zee, Overjordanië:
Galilea van de heidenen!

16

Het volk dat in de duisternis zat,
heeft een groot licht aanschouwd;
en over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten waren,
over hen is een licht opgegaan.

 17 Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: “Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.” 

Roeping van de eerste leerlingen

18 Eens toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers, Simon die Petrus wordt genoemd en diens broer Andreas, bezig met het net uit te werpen in het meer. Zij waren namelijk vissers.  

19 En Hij sprak tot hen: “Komt, volgt Mij: Ik zal u vissers van mensen maken.”  

20 Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.  

21 Iets verder zag Hij nog twee broers, Jakobus en diens broer Johannes; met hun vader Zebedeüs waren zij in de boot de netten aan het klaarmaken. Hij riep hen,  

22 en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem. 

Werkzaamheid in Galilea
23 Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in hun synagogen, de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.

Op

Begin van Jezus’ optreden in Galilea

12 Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea.  13Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali,  14opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja:  15

Land van Zebulon, land van Naftali,
liggend aan de zee, Overjordanië:
Galilea van de heidenen!

16

Het volk dat in de duisternis zat,
heeft een groot licht aanschouwd;
en over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten waren,
over hen is een licht opgegaan.

 17 Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: “Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.”