Lezingen 3 mei 2026 (5e zondag van Pasen)

Lezingen

1e Lezing: Handelingen 6,1-7

1 In die tijd, toen het aantal leerlingen steeds toenam, begonnen de Hellenisten tegen de Hebreeën te morren, omdat bij de dagelijkse ondersteuning hun weduwen achtergesteld werden.  

2 De twaalf riepen nu de leerlingen in vergadering bijeen en zeiden: “Het past niet dat wij het woord Gods verwaarlozen door de zorg voor de ondersteuning.  

3 Ziet dus uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, van goede faam, vol van geest en wijsheid. Hen zullen wij dan met dit ambt bekleden,  

4 terwijl wij onszelf blijven wijden aan het gebed en de bediening van het woord.”  

5 Dit voorstel vond instemming bij de gehele vergadering en zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige geest, Filippus, Próchorus, Nikánor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië.  

6 Dezen werden aan de apostelen voorgedragen, die na gebed hun de handen oplegden.  

7 Het woord Gods breidde zich uit en het aantal leerlingen in Jeruzalem vermeerderde sterk; ook een groot aantal priesters gaf zich gewonnen aan het geloof. 


Psalm: 33

1 Verheft, vromen, met jubel de Heer, wel voegt de oprechten een loflied!  

2 Zingt de Heer bij de cither een lofzang, een psalm bij de tiensnarige harp;  

3 zingt ter ere van Hem een nieuw lied, paart uw tokkelspel aan de bazuinen.  

4 Volstrekt is het woord van de Heer, heel zijn handelen voltrekt zich in waarheid;  

5 Hem behaagt de orde des rechts, zijn genade vervult heel de aarde.  

6 Door zijn woord zijn de hemelen gemaakt, door zijn ademtocht heel hun heir;  

7 rijzen deed Hij de zee als een wal, heeft haar kolken in krochten gekamerd.  

8 Draag, aarde, ontzag voor de Heer, ducht Hem, al gij bewoners der wereld:  

9 immers Hij sprak en het was, Hij gebood en het stond.  

10 Hij ontwricht het beraad van de volken, doet hun aller plannen te niet;  

11 doch zijn beraad staat voor eeuwig, zijn besluiten geslacht op geslacht.  

12 Gelukzalig Jahwe’s volk, het godsvolk, de stam die als zijn erfdeel Hij koos.  

13 De Heer ziet uit de hemelen neder, heeft elk mensenkind in het oog;  

14 zijn aandacht gaat, vanwaar Hij zetelt, over al wat de aarde bevolkt;  

15 aller harten heeft Hij geformeerd, van een ieder doorgrondt Hij het handelen:  

16 en geen vorst is door legermacht veilig, geen held is, hoe geducht ook, onkwetsbaar;  

17 faalt het strijdros – uw zege is te niet: een paard redt niet, hoe sterk ook, uw leven.  

18 Weet: Gods oog rust op wie Hem vrezen, die van Hem de genade verbeiden,  

19 dat Hij hen bewaart voor de dood, hen als hongersnood heerst wil behouden.  

20 Ons hart wacht de komst van de Heer: ‘onze hulp en ons schild dat is Hij!’  

21 Onze diepste vreugd rust in Hem, ons vertrouwen in zijn naam hoogheilig.  

22 Uw genade, Heer, zij over ons, gelijk wij U hoopvol verbeiden. 


2e Lezing: 1 Petrus 2,4-9

4 Treedt toe tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God.  

5 Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel. Draagt als een heilig priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus.  

6 Daarom staat er in de Schrift: Ik leg in Sion een steen, een uitverkoren, kostbare hoeksteen. En wie op Hem vertrouwt, zal niet worden teleurgesteld.  

7 Kostbaar, dat geldt voor u die gelooft. Maar voor de ongelovigen geldt: De steen die de bouwers hebben afgekeurd, die is de hoeksteen geworden,  

8 maar ook een steen waaraan zij zich stoten, een rots waarover zij struikelen. Zij stoten zich, omdat zij het woord weigeren te gehoorzamen; en daartoe waren zij ook bestemd.  

9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht:


Evangelie: Johannes 14,1-12

Hereniging bij de Vader

1 “Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij.  

2 In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.  

3 En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.  

4 Gij weet waar Ik heenga en ook de weg daarheen is u bekend.”  

5 Tomas zei tot Hem: “Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?”  

6 Jezus antwoordde hem: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.  

7 Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem.”  

8 Hierop zei Filippus: “Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg.”  

9 En Jezus weer: “Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader?  

10 Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in Mij, zijn werk verricht.  

11 Gelooft Mij: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Of gelooft het anders omwille van de werken.  

12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga.