1e Lezing: Genesis 12,1-4a
De roeping van Abram
1 Jahwe zei tot Abram: `Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u aan zal wijzen.
2 Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn.
3 Ik zal zegenen die u zegenen, maar die u versmaadt zal Ik vervloeken. Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde.’
4 Toen trok Abram weg, zoals Jahwe hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet.
Psalm: 33
1 Verheft, vromen, met jubel de Heer, wel voegt de oprechten een loflied!
2 Zingt de Heer bij de cither een lofzang, een psalm bij de tiensnarige harp;
3 zingt ter ere van Hem een nieuw lied, paart uw tokkelspel aan de bazuinen.
4 Volstrekt is het woord van de Heer, heel zijn handelen voltrekt zich in waarheid;
5 Hem behaagt de orde des rechts, zijn genade vervult heel de aarde.
6 Door zijn woord zijn de hemelen gemaakt, door zijn ademtocht heel hun heir;
7 rijzen deed Hij de zee als een wal, heeft haar kolken in krochten gekamerd.
8 Draag, aarde, ontzag voor de Heer, ducht Hem, al gij bewoners der wereld:
9 immers Hij sprak en het was, Hij gebood en het stond.
10 Hij ontwricht het beraad van de volken, doet hun aller plannen te niet;
11 doch zijn beraad staat voor eeuwig, zijn besluiten geslacht op geslacht.
12 Gelukzalig Jahwe’s volk, het godsvolk, de stam die als zijn erfdeel Hij koos.
13 De Heer ziet uit de hemelen neder, heeft elk mensenkind in het oog;
14 zijn aandacht gaat, vanwaar Hij zetelt, over al wat de aarde bevolkt;
15 aller harten heeft Hij geformeerd, van een ieder doorgrondt Hij het handelen:
16 en geen vorst is door legermacht veilig, geen held is, hoe geducht ook, onkwetsbaar;
17 faalt het strijdros – uw zege is te niet: een paard redt niet, hoe sterk ook, uw leven.
18 Weet: Gods oog rust op wie Hem vrezen, die van Hem de genade verbeiden,
19 dat Hij hen bewaart voor de dood, hen als hongersnood heerst wil behouden.
20 Ons hart wacht de komst van de Heer: ‘onze hulp en ons schild dat is Hij!’
21 Onze diepste vreugd rust in Hem, ons vertrouwen in zijn naam hoogheilig.
22 Uw genade, Heer, zij over ons, gelijk wij U hoopvol verbeiden
2e Lezing: 2 Timoteüs 1,8b-10
8 Ik wil dus dat op elke plaats waar de gemeente samenkomt om te bidden, de mannen hun handen opheffen in een geest van godsvrucht, die haat en ruzie uitsluit.
9 Eveneens dat de vrouwen daarbij op passende wijze gekleed zijn en zich liever sieren met bescheidenheid en ingetogenheid dan met ingewikkelde kapsels, met goud, parels of dure kleren;
10 voor haar die godvruchtig wil zijn blijven goede daden het fraaiste sieraad.
Evangelie: Matteüs 17,1-9
De gedaanteverandering
1 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren.
2 Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht.
3 Opeens verschenen hun Mozes en Elia, die zich met Hem onderhielden.
4 Petrus nam het woord en zei tot Jezus: “Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”
5 Nog had hij niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit die wolk klonk een stem: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem.”
6 Op het horen daarvan wierpen de leerlingen zich ter aarde neer, aangegrepen door een hevige vrees.
7 Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: “Staat op en weest niet bang.”
8 Toen zij hun ogen opsloegen zagen zij niemand meer dan alleen Jezus.
9 Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun: “Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd, voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan.”
