Lezingen 10 mei 2026 (6e zondag van Pasen)

Lezingen

1e Lezing: Handelingen 8,5-8.14-17

5 Zo kwam Filippus in de stad van Samaria en predikte daar de Messias.  

6 Filippus’ woorden oogstten algemene instemming toen de mensen hoorden wat hij zei en de tekenen zagen die hij verrichtte.  

7 Uit vele bezetenen gingen de onreine geesten onder luid geschreeuw weg en vele lammen en kreupelen werden genezen.  

8 Daarover ontstond grote vreugde in die stad.

 

14 Toen de apostelen in Jeruzalem vernamen dat Samaria het woord Gods had aangenomen, vaardigden zij Petrus en Johannes naar hen af,  

15 die na hun aankomst een gebed over hen uitspraken, opdat zij de heilige Geest zouden ontvangen.  

16 Deze was namelijk nog over niemand van hen neergedaald; ze waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus.  

17 Zij legden hun dus de handen op en ze ontvingen de heilige Geest.


Psalm: 66

1 Voor de koorleider. Een lied. Een psalm. Steekt Gods loftrompet alom op aarde,  

2 zingt tot eer van zijn naam majesteitelijk, doet statig stijgen zijn loflied.  

3 Zingt God toe: ‘hoe geducht zijn uw werken! Uw almacht dwingt uw bestrijders U nederig hulde te brengen.  

4 U zal alles op aarde aanbidden, zingen U, zingen uw naam ter eer.’  

5 Aanzie dan de daden van God, om de mens in zijn handelen vervaarlijk:  

6 Hij heeft vermocht dat de zee droogviel, dat zij droogvoets de stroom overstaken. Daar droegen wij vreugde in Hem  

7 die heerst door zijn sterkte voor eeuwig, wiens ogen de volkeren peilen. Rebellen, weerstaat gij Hem niet!  

8 Zegent, volkeren, Hem – onze God, laat ver zijn loflied weerklinken:  

9 Hij die heel ons leven vernieuwde, onze voet voor wankelen behoed heeft.  

10 Wel hebt Gij, God, ons getoetst, ons gelouterd – gelouterd als zilver  

11 Gij hebt ons in de engte gedreven, ons met knelling de lendenen omsnoerd:  

12 mensen reden ons over het hoofd, door het vuur gingen wij, door het water, maar Gij leidde ons uit – tot uw volheid.  

13 Met brandoffers wil ik tot uw huis gaan, zo los ik mijn geloften U in  

14 die mijn lippen U toegezegd hadden, die ik opnoemde toen ik in nood was.  

15 Rijke brandoffers zal ik U brengen, offergeur van rammen doen opgaan, stieren brengen als gave en bokken.  

16 Hoort mij dan: want ik wil verhalen aan elk die God waagt te vrezen, wat Hij in mijn leven gedaan heeft.  

17 Nauwelijks ging mijn aanroep tot Hem uit of een loflied lag mij op de lippen.  

18 Zo ik heimelijk het kwade beoogd had, nimmer had de Heer mij verhoord.  

19 Maar God heeft mij waarlijk verhoord, mij verstaan toen ik biddend Hem aanriep.  

20 Lof zij God, die mijn bede niet afwees, die mij nooit zijn genade ontzegd heeft. 


2e Lezing: 1 Petrus 3,15-18

15 heiligt in uw hart Christus als de Heer. Weest altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft.  

16 Maar verdedigt u met zachtmoedigheid en gepaste eerbied, en zorgt dat uw geweten zuiver is. Dan zullen die beschimpers van uw goede christelijke levenswandel beschaamd staan met hun laster.  

17 Hoeveel beter is het, zo God het wil, te lijden voor het goede dat men doet dan straf te ondergaan voor misdrijven.  

18 Ook Christus heeft eens voor al geleden voor de zonden, de rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, om u tot God te brengen. Gedood naar het vlees, werd Hij ten leven gewekt naar de Geest.


Evangelie: Johannes 14,15-21

Liefde en de geboden van Jezus

15 Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden.  

16 Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven:  

17 de Geest van de waarheid, voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. Gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.  

18 Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug.  

19 Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven.  

20 Op die dag zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u.  

21 Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem openbaren.