Lezingen 14 juni 2026 (11e zondag door het jaar)

Lezingen

1e Lezing: Exodus 19,2-6a

2 Toen vroeg Jahwe hem: `Wat hebt ge daar in uw hand?’ Een staf,’ antwoordde hij.  

3 Toen beval Jahwe: `Laat hem op de grond vallen.’ Mozes liet hem op de grond vallen en de staf werd een slang. Mozes sprong achteruit.  

4 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit en grijp ze bij de staart.’ Hij strekte zijn hand uit, pakte de slang vast en in zijn greep werd het weer een staf.  

5 `Zo zullen ze geloven dat Jahwe u inderdaad verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’  

6 Ook beval Jahwe hem nog: `Steek uw hand tussen uw kleed.’ Hij stak zijn hand tussen zijn kleed. En toen hij ze er uittrok zat ze ineens vol witte uitslag, het leek wel sneeuw.


Psalm: 100

1 Een psalm bij het lofoffer. Juicht voor de Heer, aarde alom!  

2 dient de Heer met verblijden, komt voor zijn aanschijn met jubel.  

3 Beseft het: de Heer is God; Hij schiep ons, wij horen aan Hem, zijn volk – Hij weidt het als schapen.  

4 Treedt zijn poorten in met een danklied, gaat met lofzang zijn voorhoven binnen, looft Hem, zegent zijn naam.  

5 Overvloed geeft Hij, de Heer: tot in eeuwigheid is zijn genade, van geslacht tot geslacht is zijn trouw. 

 


2e Lezing: Romeinen 5,6-11

6 Want Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren.  

7 Niet licht zal iemand zijn leven geven voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand de moed hebben te sterven voor een goed mens.  

8 God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren.  

9 Des te zekerder zullen wij, nu wij eenmaal gerechtvaardigd zijn door zijn bloed, dankzij Hem ontkomen aan de toorn.  

10 Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder zullen wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven.  

11 En dat niet alleen: nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen. 


Evangelie: Matteüs 9,36 – 10,8

36 Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder.  

37 Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.  

38 Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.” 

De twaalf apostelen en hun zending

1 Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen.  

2 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes;  

3 Filippus en Bartolomeus, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs,  

4 Simon de IJveraar en Judas Iskariot, die Hem verraden heeft.  

5 Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: “Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen;  

6 gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël.  

7 Verkondigt op uw tocht: Het Koninkrijk der hemelen is nabij.  

8 Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft duivels uit. Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.