Lezingen 19 april 2026 (3e zondag van Pasen)

Lezingen

1e Lezing: Handelingen 2,14.22-32

14 Petrus trad naar voren met de elf en verhief zijn stem om het woord tot hen te richten: “Gij allen, joodse mannen en bewoners van Jeruzalem, weet dit wel en luistert aandachtig naar mijn woorden.

22 Mannen van Israël, luistert naar deze woorden: Jezus de Nazoreeër was een man wiens zending tot u van Godswege bekrachtigd is. Gij kent immers zelf de machtige daden, wonderen en tekenen, die God door Hem onder u heeft verricht.  

23 Hem, die volgens Gods vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is uitgeleverd, hebt gij door de hand van goddelozen aan het kruis genageld en  gedood.  

24 Maar God heeft Hem ten leven opgewekt na de smarten van de dood te hebben ontbonden; want het was onmogelijk dat Hij daardoor werd vastgehouden.  

25 Doelend op Hem toch zegt David: De Heer had ik voor ogen, altijd door, Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen;  

26 daarom is er blijdschap in mijn hart en jubelt mijn mond van vreugde; ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop,  

27 omdat Gij mijn ziel niet over zult laten aan het dodenrijk en uw heilige geen bederf zult laten zien.  

28 Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen, Gij zult mij met vreugde vervullen voor uw aanschijn.  

29 Mannen broeders, ik mag wel vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij gestorven en begraven is; we hebben immers zijn graf bij ons tot op deze dag.  

30 Welnu, omdat hij een profeet was en wist, dat God hem een eed gezworen had, dat Hij een van zijn nakomelingen op zijn troon zou doen zetelen,  

31 zei hij met een blik in de toekomst over de verrijzenis van Christus, dat Hij niet is overgelaten aan het dodenrijk en dat zijn lichaam het bederf niet heeft gezien.  

32 Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen.


Psalm: 16

1 Vervolgens bezocht hij Derbe en Lystra. Er was daar een leerling, Timóteüs genaamd, de zoon van een gelovig geworden joodse vrouw, maar van een Griekse vader.  

2 Omdat hij een goede naam had bij de broeders van Lystra en Ikonium,  

3 wenste Paulus hem als reisgezel. Omwille van de Joden die in die streek woonden, liet hij hem besnijden, want iedereen wist dat zijn vader een Griek was.  

4 In de steden waar zij doorkwamen, kondigden zij voor de gelovigen de besluiten af, die genomen waren door de apostelen en oudsten in Jeruzalem.  

5 Zo werden de gemeenten versterkt in het geloof en ze namen met de dag in omvang toe.  

6 Daarna trokken ze door Frygië en de landstreek Galatië, omdat zij door de heilige Geest ervan weerhouden waren het woord te verkondigen in Asia.  

7 In Mysië gekomen maakten zij aanstalten om naar Bitynië te reizen, maar de Geest van Jezus stond hun dit niet toe.  

8 Zij trokken dus door Mysië en gingen naar Troas.  

9 Daar had Paulus ‘s nachts een visioen; er stond een Macedoniër voor hem die hem smeekte: “Steek over naar Macedonië en kom ons te hulp.”  

10 Na zijn visioen zochten wij onmiddellijk een gelegenheid om naar Macedonië te vertrekken, want we maakten er uit op, dat God ons geroepen had om hun het Evangelie te verkondigen.  

11 Wij voeren dus af van Troas en koersten eerst naar Samotráke, de volgende dag naar Neápolis  

12 en vandaar naar Filíppi, een stad in het eerste district van Macedonië en een kolonie. In die stad bleven we enkele dagen.  

13 Op de sabbat begaven we ons buiten de poort naar de rivieroever, waar we dachten dat een bedehuis was. Wij zetten ons neer en spraken de vrouwen toe, die er bijeengekomen waren.  

14 Ook een zekere Lydia uit de stad Tyatíra, die purperen stoffen verkocht – zij was een godvrezende -, hoorde toe en de Heer maakte haar hart ontvankelijk voor wat door Paulus gezegd werd.  

15 Nadat zij en haar huisgenoten gedoopt waren, nodigde ze ons uit en zei: “Als ge van oordeel zijt dat ik werkelijk in de Heer geloof, komt dan in mijn huis en neemt daar uw intrek.” En zij drong er bij ons sterk op aan.  

16 Toen we eens onderweg waren naar het bedehuis, kwam ons een slavin tegemoet, die een waarzeggende geest had en met haar waarzeggerij haar meesters veel opbracht.  

17 Ze kwam Paulus en ons achterna en riep luidkeels: “Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God; zij verkondigen u de weg tot redding.”  

18 Dat deed ze vele dagen achtereen. Toen dit Paulus begon te vervelen, keerde hij zich om en zei tot de geest: “In de Naam van Jezus Christus gelast ik u uit haar weg te gaan.” Op hetzelfde ogenblik ging hij weg.  

19 Maar toen haar meesters zagen dat hun hoop op winst vervlogen was, grepen zij Paulus en Silas vast en sleurden hen naar de overheid op de markt.  

20 Zij brachten hen voor de magistraten en zeiden: “Deze mannen brengen onze stad in rep en roer.  

21 Het zijn Joden en zij verkondigen zeden en gebruiken die wij als Romeinen niet mogen overnemen of volgen.”  

22 Ook het volk liep tegen hen te hoop, waarop de magistraten bevel gaven hun de kleren van het lijf te rukken en hen met roeden te geselen.  

23 Nadat men hun een flink aantal slagen had toegediend, wierp men hen in de gevangenis en gaf opdracht aan de gevangenbewaarder ze streng te bewaken.  

24 Op dit nadrukkelijk bevel zette deze hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten in het blok.  

25 Rond middernacht waren Paulus en Silas in gebed en zongen Gods lof, terwijl de gevangenen naar hen luisteren.  

26 Plotseling kwam er een zo hevige schok, dat de gevangenis beefde op haar fundamenten. Meteen vlogen alle deuren open en sprongen de boeien van alle gevangenen los.  

27 De gevangenbewaarder schrok wakker, en toen hij zag dat de deuren van de gevangenis open stonden, trok hij zijn zwaard en wilde zelfmoord plegen, omdat hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren.  

28 Maar Paulus riep met luider stem: “Doe uzelf geen kwaad, we zijn allen nog hier.”  

29 De man vroeg nu om licht, snelde naar binnen en viel sidderend Paulus en Silas te voet.  

30 Hij leidde hen naar buiten en zei: “Heren, wat moet ik doen om gered te worden?”  

31 Zij antwoordden: “Geloof in de Heer Jezus, dan zult gij en uw huis gered worden.”  

32 Daarop verkondigden zij het woord des Heren aan hem en al zijn huisgenoten.  

33 Nog in dit nachtelijk uur nam hij hen mee en waste hun wonden. Terstond daarna werd hij met al de zijnen gedoopt.  

34 Hij bracht ze naar zijn woning en zette hun een maaltijd voor, verheugd omdat hij met heel zijn gezin nu in God geloofde.  

35 Na het aanbreken van de dag stuurden de magistraten de lictoren met het bevel: “Stel die mensen in vrijheid.”  

36 De gevangenbewaarder bracht die boodschap aan Paulus over: “De magistraten hebben laten weten, dat gij vrijgelaten moet worden. Komt dus naar buiten en gaat in vrede heen.”  

37 Maar Paulus zei: “Men heeft ons, ofschoon we Romeinse burgers zijn, zonder vorm van proces in het openbaar laten geselen en toen in de gevangenis geworpen en nu willen ze ons heimelijk doen heengaan? Geen denken aan! Laten ze zelf maar komen om ons uitgeleide te doen.”  

38 De lictoren brachten deze woorden aan de magistraten over. Dezen werden bang toen ze hoorden dat het Romeinse burgers waren.  

39 Zij kwamen dus zelf, deden hun uitgeleide en verzochten hun met vriendelijke woorden de stad te verlaten.  

40 Uit de gevangenis gekomen gingen ze naar het huis van Lydia. Nadat zij de broeders gezien en bemoedigend toegesproken hadden, verlieten ze de stad.


2e Lezing: 1 Petrus 1,17-21

17 Hij die gij aanroept als Vader, is ook de onpartijdige rechter over al onze daden; koestert daarom ontzag voor Hem, zolang gij hier in ballingschap leeft.  

18 Gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan dat gij van uw vaderen had geërfd.  

19 Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het lam zonder vlek of gebrek,  

20 dat uitverkoren was voor de grondlegging der wereld, maar eerst op het einde der tijden is verschenen, om uwentwil.  

21 Door Hem gelooft gij in God, die Hem van de doden opgewekt en Hem de heerlijkheid gegeven heeft; daarom is uw geloof in God tevens hoop op God.


Evangelie: Lucas 24,13-35

13 Het zal voor u uitlopen op een getuigenis.  

14 Welnu, prent het u in, dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden.  

15 Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.  

16 Ge zult zelfs door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden en sommigen van u zullen ze ter dood doen brengen.  

17 Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam;  

18 geen haar van uw hoofd zal verloren gaan.  

19 Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.  

20 Wanneer gij Jeruzalem door legers omsingeld ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabij is.  

21 Laten dan de mensen in Judea naar de bergen vluchten; die in de stad zijn eruit trekken, en die op het land vertoeven daar niet binnengaan:  

22 dagen van wraak zijn het, waarop alles wat geschreven staat vervuld wordt.  

23 Wee de zwangeren en zogenden in die dagen. Want er zal grote nood komen over het land en strafgericht over dit volk.  

24 Sommigen zullen vallen door het scherp van zijn zwaard, anderen als gevangenen onder alle volkeren worden verstrooid. Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijd van de heidenen vervuld is.  

25 Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren, radeloos door het gebulder van de onstuimige zee.  

26 De mensen zullen het besterven van schrik, in spanning om wat de wereld gaat overkomen, want de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken.  

27 Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk, met macht en grote heerlijkheid.  

28 Wanneer zich dit alles begint te voltrekken, richt u dan op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing komt naderbij.’ 

VERGELIJKING MET DE VIJGENBOOM
29 Hij maakte een vergelijking en zei: ‘Kijkt naar de vijgenboom en naar alle andere bomen;  

30 zodra ze uitlopen weet ge, als ge dat ziet, dat de zomer in aantocht is.  

31 Zo ook, wanneer ge al deze dingen ziet, weet dan dat het Rijk Gods nabij is.  

32 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal niet voorbijgaan, voor dit alles geschied is.  

33 Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.  

34 Zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens; laat die dag u niet als een strik onverhoeds grijpen,  

35 want hij zal komen over allen waar ook ter wereld.