1e Lezing: Genesis 2,7-9; 3,1-7
7 Toen boetseerde Jahwe God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.*
8 Daarna legde Jahwe God een tuin aan in Eden, ergens in het oosten, en daarin plaatste hij de mens die Hij geboetseerd had.
9 Jahwe God liet uit de grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten; daarbij was ook de boom van het leven midden in de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad.
Verdrijving uit de tuin
1 Van alle dieren, die Jahwe God gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang. Ze zei tot de vrouw: `Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?’
2 De vrouw zei tot de slang: `Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin.
3 God heeft alleen gezegd: Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat moogt ge niet eten; gij moogt ze zelfs niet aanraken; anders zult gij sterven.’
4 Maar de slang zei tot de vrouw: ‘U zult helemaal niet sterven!
5 God weet dat uw ogen open zullen gaan als u eet van die boom, en dat u dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.’
6 Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan.
7 Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren. Daarom hechtten ze vijgebladen aaneen en maakten daar lendenschorten van.
Psalm: 51
1 Voor de koorleider. Een psalm van David.
2 Toen de profeet Natan bij hem was geweest, omdat hij tot Batseba was gegaan.
3 Wees mij, God, in uw goedheid genadig, neem in uw oneindig erbarmen mijn overtredingen weg.
4 Zuiver mij geheel van mijn zonde, reinig mij van wat ik misdeed.
5 Want ik ben mij bewust dat ik schuld heb: steeds ziet wat ik begaan heb mij aan;
6 tegen U, U alleen was mijn zonde, Gij doorziet het kwaad dat ik deed. Hoe Gij vonnist: Gij zijt rechtvaardig, onaantastbaar in uw gericht.
7 Zie, als zondig mens ben ik geboren, in die schuld bij mijn moeder verwekt;
8 waarheid eist Gij – zie! – tot op de bodem, geeft mij inzicht waar ik mij verberg.
9 Raak met hysop mij aan: ik zal rein zijn, maak mij smetteloos: witter dan sneeuw,
10 spreek mij weer van de volheid der vreugde – en mijn kracht die Gij brak springt omhoog.
11 Wend uw aangezicht af van mijn zonden, al wat ik beging delg het uit;
12 God, herschep mijn hart, maak het zuiver, geef mijn geest, diep in mij, nieuw bestand;
13 verban mij niet: ver van uw aanschijn, noch onttrek mij uw heilige geest.
14 Hergeef mij het geluk om uw heil, laat bereide gezindheid mijn kracht zijn:
15 want dan wijs ik verdoolden uw wegen, schuldigen vinden de weg tot U terug.
16 Bloedbevlekt ben ik – God, neem het van mij! dat ik jubelend uw vrijspraak mag melden:
17 Heer, leg Gij mij het woord op de lippen en mijn mond verkondigt uw lof.
18 Ik weet: offers zult Gij niet verkiezen, bracht ik brandoffers – Gij wees ze af;
19 mijn offer aan God: mijn berouw, een berouwvol en nederig hart zult Gij, God, niet als te gering zien.
20 Verleen Sion, behaagt het U, voorspoed; bouw Jeruzalems muren weer op.
21 Dan zult Gij genadig aanvaarden offers U gebracht naar den eis, offerdieren verteerd door het vuur, en leidt men, om brandoffer te zijn, jonge stieren tot uw altaren.
2e Lezing: Romeinen 5,12-19 of 5,12.17-19
Zonde en genade: Adam en Christus
12 Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood en zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben.
13 Er was immers reeds zonde in de wereld, vóór de wet er was; maar zonde wordt niet aangerekend, waar geen wet is.
14 Toch heeft de dood als koning geheerst in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hen die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod. Adam nu is het beeld van de Mens die komen moest.
15 Maar de genade van God laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam. De fout van een mens bracht allen de dood, maar allen schonk Gods genade rijke vergoeding door de grote gave van zijn genade, de ene mens Jezus Christus.
16 Zijn gave is sterker dan die ene zonde. Het oordeel dat volgde op de ene misstap liep uit op een veroordeling, maar de gratie die na zoveel overtredingen verleend werd betekende volledige kwijtschelding.
17 Door toedoen van een mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dankzij de ene mens Jezus Christus.
18 Dit betekent: één fout leidde tot veroordeling van allen, maar één goede daad leidde tot vrijspraak en leven voor allen.
19 En zoals door de ongehoorzaamheid van één mens allen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van Een allen worden gerechtvaardigd.
Evangelie: Matteüs 4,1-11
Jezus in de Woestijn
1 Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden.
2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger.
3 Nu trad de verleider op Hem toe en sprak: “Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen.”
4 Hij gaf ten antwoord: “Er staat geschreven:
Niet van brood alleen leeft de mens,
maar van alles wat uit de mond van God voortkomt”
5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort
6 en sprak tot Hem: “Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven:
Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven,
dat zij U op de handen nemen,
opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.”
7 Jezus zei tot hem: “Er staat ook geschreven:
Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.”
8 Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid.
9 En hij zeide: “Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt.”
10 Toen zei Jezus hem: “Weg, satan: er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.”
11 Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen.
