Lezingen 28 september 2025 (26e zondag door het jaar)

Lezingen

1e Lezing: Amos 6,1a.4-7

1 Dit zijn de woorden van Amos, die een schapenfokker uit Tekoa was, visioenen over Israël, die hij gezien heeft in de tijd van Uzzia, de koning van Juda, en van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, twee jaar voor de aardbeving.

4 slinger Ik vuur in Hazaëls huis: het verslindt de paleizen van Benhadad.  

5 De sluitboom van Damascus sla Ik aan stukken, uit Bikat-Awen verdrijf Ik de bewoners, uit Bet-Eden hem die daar de scepter zwaait, en de Arameeër wordt weggevoerd naar Kir, spreekt Jahwe.  

6 Zo spreekt Jahwe: Na de herhaalde misdaden van Gaza kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat zij hele bevolkingen hebben weggevoerd en die hebben uitgeleverd aan Edom,  

7 slinger Ik vuur binnen Gaza’s muren: het verslindt zijn paleizen. 


Psalm: 146

1 Godlof! Loof, mijn ziel, de Heer!  

2 Een loflied voor de Heer, heel mijn leven, een psalm, tot het laatst voor mijn God.  

3 Zoekt het niet bij de groten der aarde, bij een mensenkind dat u niet uitredt;  

4 wijkt zijn adem, hij wordt weer tot aarde: op die dag zijn zijn plannen voorbij.  

5 Gelukkig wien Jakobs God bijstaat, wiens hoop op de Heer is, zijn God;  

6 die geschapen heeft hemel en aarde, de zee en al wat daarin is, die tot in eeuwigheid trouw houdt.  

7 Hij die recht doet aan de verdrukten, brood geeft aan wie hongerig zijn. De Heer, die de geboeiden bevrijdt,  

8 de Heer, die de blinden weer zien doet, de Heer die opricht de gekromden, de Heer heeft de rechtvaardigen lief;  

9 de Heer waakt over de vreemdeling en houdt staande weduwe en wees. Maar de wandel der bozen verstoort Hij.  

10 De Heer heerst tot in eeuwigheid, uw God, Sion, geslacht op geslacht. Godlof! 


2e Lezing: 1 Timoteüs 6,11-16

Plechtige aansporing van Timóteüs
11 Gij echter, man Gods, moet dit alles mijden. Streef naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.  

12 Strijd de goede strijd van het geloof, grijp het eeuwige leven. Daartoe zijt gij geroepen, daartoe hebt gij de goede belijdenis afgelegd ten overstaan van vele getuigen.  

13 Ik beveel u voor het aanschijn van God die alles ten leven wekt, en van Christus Jezus die door Pontius Pilatus de goede belijdenis heeft afgelegd:  

14 bewaar dit gebod onbevlekt en ongerept tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus,  

15 die God ons te rechter tijd zal doen aanschouwen, Hij, de gelukzalige, de enige heerser, de grote koning en de opperste heer,  

16 die alleen onsterfelijkheid bezit en woont in ongenaakbaar licht. Geen mens heeft Hem gezien of is in staat Hem te zien. Hem zij eer en eeuwige macht! Amen. 


Evangelie: Lucas. 16,19-31

LAZARUS EN DE RIJKE
19 Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feestvierde,  

20 terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag.  

21 Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Ja, zelfs kwamen honden zijn zweren likken.  

22 Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis.  

23 In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot.  

24 Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd.  

25 Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd.  

26 Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat, zelfs als men het zou willen, van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen.  

27 De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen,  

28 want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen.  

29 Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. 

30 Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren.  

31 Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat.’